De ogen van de grote boze wolf

De klak van mijn hakken vult de lege donkere gang van school. Alle andere studenten zijn of al naar huis of zitten ijverig te werken in de lokalen. Mijn heupen schudden met iedere pas die ik zet. Mijn schouders draaien mee op het ritme. Mijn kin gaat omhoog richting het plafond en mijn lippen vormen en zelfverzekerde grijns. God, wat loop ik op dit moment sexy zeg. Vol enthousiasme loop ik verder door de lange gang. De gang mijn catwalk. Aan het einde van de gang zie ik mijn reflectie in de grote glazen deur. Ik zie mijn kin die bijna naar het plafond reikt. Ik zie mijn heupen die bij ieder pas op en neer deinen, ik zie mijn haren zwaaien, ik zie mijn zelfverzekerde grijns. Maar ik zie ook mijn armen langs mijn lichaam op een neer bungelen. Als twee touwen die hangen en niet weten wat ze aan het doen zijn. Ze hangen, schommelen, bungelen en zijn allesbehalve sexy.

Ik sabbel op een loszittend velletje dat aan mijn lip hangt en ik sta stil. Ik staar naar mijn armen die langs mijn lichaam hangen. Ze zijn veel te lang of uit proportie of horen niet zo te hangen. Met mijn ene hand pak ik de onderkant van mijn blouse stevig vast waardoor de spieren in mijn onderarm zichtbaar worden. Mijn andere arm houd ik stevig langs mijn lichaam. Verkrampt. Ik loop verder de gang in zoals ik net liep en kijk weer naar mijn reflectie in de glazen deur. Ik zie weer hoe mijn heupen op en neer deinen. Ik kijk opnieuw naar mijn lippen, die nu een poging doen tot een zelfverzekerde glimlach. En ik kijk naar mijn armen, die nu als gesteente aan mijn lichaam vastzitten. Geen deel uitmaken van mijn lichaam maar als mislukte toevoeging erbij zijn gekomen. Wat moet ik in godsnaam met die armen?

De volgende ochtend kom ik op het station van Arnhem aan en loop ik door de grote hal naar de uitcheck poortjes. Wat loopt die raar. Moet je dat zien. Dat klopt niet, die bewegingen. Ik probeer mijn rug iets te rechten en kijk naar mijn armen die opnieuw als twee debielen aan het bungelen zijn. Direct loopt ik de Ah to go in en bestel een kop koffie. Ik heb helemaal geen zin in koffie. Wanneer ik naar buiten loop steek ik direct een sigaret op en loop richting school. In mijn ene hand een sigaret en in de andere hand een kop koffie. Nu klopt het. Nu loop ik goed. Met een rechte rug, heupen die op en neer deinen en zonder bungelende armen loop ik de straat uit. Bij ieder stukje dat ik voortaan moet lopen, zorg ik dat ik een kop koffie en een sigaret in mijn handen heb.

Thuis plof ik op de grijze bank. Kleine stofjes vliegen omhoog. Ik sla het filosofiemagazine, dat op mijn schoot ligt, open. Ik lik het puntje van mijn wijsvinger, zodat ik grip krijg op de bladzijdes. Ik krabbel de restjes nagellak van mijn nagels. In het filosofiemagazine staat een artikel over Jean-Paul Sartre. Vader van het existentialisme, staat er met grote blauwe letters boven.

In dat artikel staat geschreven dat het bestaan een proces is waarin een persoon zichzelf moet ontwerpen door zijn eigen keuzes en acties. Sartre was van mening dat de mens bij geboorte geen essentie heeft meegekregen maar de mens zichzelf in deze zinloze wereld moet ontwerpen. Dat geeft ons als mens een grote vrijheid en tevens een enorme verantwoordelijkheid, beiden kunnen als last ervaren worden. ´We zijn gedoemd tot vrijheid’ is een van Sartre ’s bekende uitspraken. Door het maken van keuzes is er de mogelijkheid om een actief en authentiek leven te leiden. Doen we dit niet of blijven we argeloos wachten, dan laten we na onszelf te ontwerpen.

In het filosofiemagazine staat ook dat het maken van eigen keuzes niet altijd even makkelijk is, omdat de ander in het leven je altijd ziet als een bepaald persoon, met bepaalde karaktertrekken. Terwijl die eigenschappen juist keuzes zijn die je zelf kunt bepalen. Maar het maken van keuzes is volgens Sartre een moeizaam proces omdat je altijd vecht tegen de visies van anderen over jezelf. De ander is volgens Sartre eigenlijk altijd een last omdat ze een object van je maken. Want wat gebeurt er met mijn eigenheid, met mijn subjectiviteit, wanneer ik binnen het blikveld van een ander ben? Op dat moment word ik een object binnen de wereld van die ander. Daarom is het contact tussen mensen altijd een gevecht over wiens subjectiviteit wint. De blik van de ander is de dood van mijn subjectiviteit. ‘De hel, dat zijn de anderen’, zegt Sartre dan ook.

Hoe leef ik voor mezelf en niet voor de ander? Wanneer de gedachte in mijn hoofd opdoemt dat ik zielig ben als ik single ben, ben ik meer bezig om voor de ander te leven dan voor mezelf. Ik schaam me namelijk voor mezelf, om de angst hoe de ander naar mij kijkt. Dus eigenlijk is het leven een grote invuloefening? Ik vul voor de ander in dat hij/zij mij zielig vindt wanneer ik single ben. Dus eigenlijk ben ik een slaaf van mijn eigen invuloefening.

Wat vult Parship voor mij in, door de slogan te gebruiken: ‘Jij bent veel te leuk om single te zijn’. Daarmee wordt gesuggereerd dat er een verband ligt tussen leuk zijn en een relatie hebben.

 

Het plein wordt gevuld met het gelach, geroezemoes en het klinken van wijnglazen tegen elkaar. Het snoer met gekleurde lichtjes die verstrengeld door de boom loopt zorgt voor sfeer, althans dat is de bedoeling. Op het tafeltje voor me ligt een groen tafelkleed. Het kleed doet me denken aan zo’n zeil dat je onder in je tent legt. Het vaasje met oranje nep bloemetjes maakt het plaatje compleet. Voor me staat een glas rode wijn, maar door de gekleurde lampjes in de boom lijkt het geen rood maar groen. Ik pak het glas vast, pink omhoog en buig naar voren om een slok te nemen. Zit ze daar nou in haar eentje. Ach, wat zielig. In haar eentje wijntjes drinken. Hoe houdt zij haar glas nou vast? Slurpte ze nou. Ik zet het glas terug op het groene tafelzeil en leun terug naar achter. Mijn handen hou ik onder de tafel. Ik schraap de restjes lijm onder mijn nagels vandaan en frunnik aan het elastiekje dat onderaan mijn vlecht hangt. Hoe drink je een glas wijn? Hoe houd ik het glas vast? Bij het steeltje? Met een pink omhoog? Bij het glas? Breng ik het glas naar mijn lippen of mijn lippen naar het glas? Of ontmoeten we elkaar ergens halverwege?

‘Je moet niet zo boos kijken hoor’. Ik draai me om. Achter me staat een collega die ook klaar is met werken. Hij gooit zijn felgroene eastpak op de grond naast het tafeltje en ploft op de stoel tegenover mij. ‘Dieuw, mag ik een Duveltje! Zet maar op mijn nummer.’ Dieuwertje die met haar net iets te korte rokje de tafeltjes aan het schoonmaken is, steekt haar duim op en loopt naar binnen. Het gele doekje ligt op het tafeltje dat besmeurd is met de saus van de spareribs. ‘Waar dacht jij aan, dat je zo boos keek?’ Ik kijk hem verbaasd aan. ‘Ik was alleen maar aan het denken.’ Hij kijkt naar de deur om te zien waar zijn Duveltje blijft. ‘Nou dat zag er ook niet vrolijk uit. Stop maar met denken als je daar zo boos van gaat kijken.’ Kijk ik echt zo boos als ik denk? Hoe moet ik dan denken?

 

Elisabeth Troch schrijf in Hardhoofd in 2013 een artikel.
Ze schrijft daarin dat het haar zelfs in bed niet lukte om haar zelfbewustzijn uit te schakelen.

‘Ik hou van seks, ik haal enorme vreugde uit intimiteit, maar ik heb nog nooit een orgasme gehad. Nooit? Nooit. Jaren heb ik gedacht dat dit lag aan het onhandige gestuntel van mijn bedpartners, maar intussen weet ik het zeker: het is mijn kop die me dwarszit. Mijn vriendinnen bekijken mij met medelijden en bestoken me met tips: masturberen! Porno kijken! Een joint roken! Goed bedoeld, maar ze snappen het niet. Klaarkomen is vooral een kwestie van je zelfbewustzijn uitschakelen, en daar ligt mijn probleem. Het klinkt raar, ik weet dat mijn vriend van me houdt, echt, toch lukt het niet me écht te laten gaan. Alsof ikzelf naast het bed zit toe te kijken en commentaar geef.

Opgedragen worden te ontspannen, ook al betaal je ervoor, is niet bepaald ontspannend. Het is een voorbeeld van ‘ironic processing’: ontspan! ‘Ontspan!’ denken is hetzelfde als proberen niet aan een wit paard te denken. ‘Kom klaar! Kom klaar’, is helemaal een hopeloze opdracht.’

Filosoof Coen Simon schreef in 2016 een artikel voor de Trouw over schaamte: ‘Schaamte is het enige adequate antwoord op de oorspronkelijke onwetendheid van de mens. Nadat Adam en Eva het fruit in bezit namen dat van niemand was “gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.” Dat is wat schaamte doet: ze verstopt iets om iets anders te laten zien. Of beter nog: ze gebruikt alleen het gebaar van het verbergen om iets aan het licht te brengen wat niet simpelweg kan worden aangewezen. God weet zelfs pas dat ze van het verboden fruit hebben gegeten als hij de kenmerkende eigenschappen van schaamte ziet.’

Is het dan dat ik te zelfbewust ben of is het juist mijn onwetendheid?

De sinaasappels gaan onder in de tas samen met de meloen, het stuk kaas, rijst, uien, en de allesreiniger met aardbeiengeur. Bovenop gaan de tomaten, crackers, bananen en de zak chips. Ik duw de zak chips iets verder de tas in zodat hij minder uitsteekt, maar de tas is te vol. Ik loop de Plus uit en loop over het plein richting huis. Ik stap door de plassen water die op de stenen liggen en probeer mijn jas over de tas te trekken. Een blonde lok is losgekomen uit mijn vlecht en hangt voor mijn gezicht. Ik blaas maar de lok valt direct weer terug in mijn gezicht. Ik zet de boodschappentas op de grond en houd met mijn andere hand mijn handtas vast. Ik duw de lok terug in mijn vlecht en buk opnieuw om de tas op te pakken. De mensen op de bankjes kijken me aan, ik loop door. Dat eten is niet alleen maar voor mij hoor. Ik ga dat echt niet allemaal alleen opeten.

 

Het warme water stroomt langs mijn rug omlaag. Het meeste water wordt tegengehouden door mijn lange haren zodat mijn schouders langzaam steeds kouder worden. Ik heb een standaard volgorde hoe ik mijn lichaam was. Eerst mijn voeten, dan mijn billen, borsten, nek en dan mijn haar. De rest wordt vanzelf wel nat. Ik staar naar mijn roze tenen. Boven de douche zit een koepel. Zo’n koepel dat als je daar nu op het dak zou zitten, je mij zou zien douchen. Dus staar ik altijd naar mijn tenen. Maar voordat ik me ga afdrogen waag ik een blik naar de koepel.

Tegenwoordig zijn bijna alle boeken gericht op het publiek. Denk aan je publiek! Neem je lezers mee. Iets wat Italo Calvino niet doet. In zijn boek Als op een winternacht een reiziger, laat hij ieder hoofdstuk abrupt eindigen, precies op het moment dat de spanning toeneemt, en je als lezer door wilt lezen. Italo Calvino houdt geen rekening met zijn lezers. Italo Calvino schrijft compromisloos. Ik ben jaloers, ik zou compromisloos willen leven.

Ik vul de gedachtes van andere mensen om me heen in waardoor ik me ga schamen. Ik ga ervan uit dat de mensen om me heen gedachtes hebben over mij wanneer ik uit de supermarkt loop met een tas vol met eten. Zo die heeft honger. Jeetje gaat ze dat allemaal alleen opeten? Ik ga ervan uit dat mensen gedachtes hebben over de manier waarop ik loop.

Simone van Saarloos schrijft in Het monogame drama: ‘Ik schrijf: graag ‘genoeg’ of niet ‘genoeg’. Dat is eigenlijk heel raar, want wat betekent dat? Genoeg voor wat? In een conventionele relatie zijn daar misschien bepaalde speerpunten voor, bepaalde regels. De polyamoristen in Parijs noemen het de ‘roltrap’: je komt in een relatie langs allerlei toetsen die het ‘genoeg’ moeten bevestigen. Wil jij met mij mijn verjaardag vieren, op vakantie, samenwonen, etc.? Als daar te veel nee’s klinken, is de conclusie: er is niet ‘genoeg’. Als je weigert om op die roltrap te stappen, dan moet je je eigen criteria voor ‘genoeg’ verzinnen en vertrouwen.’

Misschien moet ik mijn eigen criteria voor ‘genoeg’ veranderen.

 

Milan Kundera schreef in de ondraaglijke lichtheid van het bestaan over de ogen waar je voor kunt leven.

‘De eerste categorie verlangt naar een eindeloze hoeveelheid anonieme ogen, met andere woorden, de blik van een publiek. De tweede categorie omvat mensen die om te leven veel bekende ogen nodig hebben. Dat zijn de onvermoeibare organisatoren van cocktailparty’s en diners. Dan komt de derde categorie mensen, die er behoefte aan hebben steeds in de blik te zijn van een geliefd persoon. En tot slot de vierde categorie, de zeldzaamste, van mensen die leven onder de denkbeeldige blik van een afwezig publiek. Dat zijn dromers.’

De vierde categorie van Milan Kundera is volgens hem de zeldzaamste. Want het zou ook vreemd zijn als je tegen een ander vertelt dat je voornamelijk bezig bent met al die mensen om je heen. Daar wordt niet over gesproken, misschien lijken ze daarom zo zeldzaam.

Met welke ogen ben ik eigenlijk bezig? Ik ben niet bezig met het hele land zoals Obama is. Ik bedoel ‘Yes we can’ zegt hij toch echt niet enkel tegen zijn vrouw in bed. Voor welke ogen leef ik?

Misschien doe ik mijn ogen wel even dicht. Mag ik mij nu even terugtrekken?

 

 

 

© Lasse van Strien